Kenmerken van Reactieve Hechtingsstoornis

Een veel gehoorde uitspraak van ouders van een kind met een reactieve hechtingsstoornis is de volgende: “Het is net een bodemloze put! Je stopt er oneindig veel liefde, aandacht en zorg in, maar er komt zelden iets terug.”

Vandaar dat men vroeger wel eens sprak over “bodemloosheid” of het geen-bodem-syndroom. Men bedoelde hiermee dat het kind geen zekerheid, geen vertrouwen, geen “bodem” meer had in zijn bestaan. Maar omdat deze term veelal geïnterpreteerd werd in de zin van bovenstaande uitspraak, is men een andere term gaan gebruiken.

Onderstaande opsomming van kenmerken is in hoofdzaak bedoeld als leidraad voor (groot)ouders en hulpverleners. Meerdere van onderstaande gedragskenmerken komen ( )   voor bij jongeren met een gehechtheidsprobleem. Bij het lezen hiervan moet men er echter steeds van uitgaan dat deze kenmerken niet veralgemeend kunnen worden. Immers, elk kind is anders en elke gezinssituatie is verschillend. Maar telkens betreft het een emotionele handicap die zeer ernstig genomen moet worden.

Sommige van deze elementen werden overgenomen uit het boek “Bodemloos bestaan” van Geertje Van Egmond (1987), andere vloeien voort uit gemeenschappelijke ervaringen van de ouders die in de loop der jaren een beroep deden op onze vzw. Nog andere zijn te vinden in Hechtingsstoornissen bij kinderen door G. de Lange en C.Penninga-de Lange (19/04/2000)

Oorzaken

Tijdens de eerste twee levensjaren hebben kinderen met een hechtingsstoornis vrijwel altijd een (tijdelijke) onderbreking of een (definitieve) breuk in de continuïteit van de verzorging en/of in de band tussen moeder en kind gekend. Soms betreft het zelfs een ontbreken van elke band met een zorgpersoon of het ontbreken van de broodnodige aandacht voor de baby.

Bij adoptie zal niemand die breuk betwisten. Evenmin bij het overlijden van (één van de) ouders.

Bij pleegkinderen ligt vaak een problematische opvoedingssituatie aan de grondslag. Bijvoorbeeld door plaatsing in een voorziening of in een pleeggezin wordt de band met de biologische ouders (al dan niet tijdelijk) onderbroken.

Bij biologisch eigen kinderen kan een problematische zwangerschap, langdurige hospitalisatie en/of pijnlijke medische behandelingen op jonge leeftijd aan de basis liggen.  Vroeger bleek soms dat baby’s die vlak na de geboorte een tijd in de couveuse doorbrachten, op latere leeftijd gehechtheidsproblemen vertoonden. Vandaar dat men belang is gaan hechten aan het contact tussen ouders en baby. Moeders (en ook vaders) mogen tegenwoordig hun couveusekindje regelmatig vasthouden, om zo een zo gezond mogelijke band tussen beiden op te bouwen.

Recent onderzoek heeft aan het licht gebracht dat een verblijf in een crèche vòòr de leeftijd van 2 jaar heel soms ongunstige gevolgen kan hebben. Hoe meer uren de baby’s in de crèche doorbrachten, hoe sterker het negatieve effect. Zo ook “tijdelijke” onbeschikbaarheid van een ouder (bijvoorbeeld wegens ziekte, postnatale depressie …) in de beginfase van het kinderleven. Het hoeft geen betoog dat een baby of peuter dergelijke omstandigheden als een afwijzing kan ervaren, zelfs al is dat niet zo bedoeld. Gelukkig lijden hier niet alle kinderen in gelijke mate onder. De « emotionele veerkracht » van elk kind is immers verschillend.

Helaas zijn er baby’s die het vertrouwen in volwassenen verliezen als gevolg van één van bovengenoemde factoren. Op lange termijn vertonen ze ernstige ontwikkelings- en gedragsproblemen, nauw verwant aan wat bij hulpverleners bekend staat als het verwaarlozingssyndroom.

Hun ouders zijn unaniem over hun ervaringen: ondanks een overvloed aan liefde en goede wil , staan ze machteloos tegenover een kind dat hen niet kan of durft vertrouwen.

Eerste alarmsignalen

Als ouder is het ontzettend moeilijk om de eerste tekenen van een hechtingsstoornis bij je kind te herkennen. Vooral in geval van adoptie of pleegzorg wordt het vreemde gedrag geïnterpreteerd als « aanpassingsproblemen ». De ouders hopen dat het wel zal beteren als hun kind aan de nieuwe situatie gewend is. Maar op termijn escaleert de situatie zodanig en komt het hele gezin zo onder druk te staan, dat een objectieve en juiste inschatting als ouder niet meer mogelijk is.

Dit zijn mogelijke tekenen van een gehechtheidsprobleem bij zeer jonge kinderen:

  • Extreem aandacht eisen en tegelijk afstoten
  • Driftmatig “vreten”
  • Zeer onregelmatig slapen
  • Agressieve gelaatsuitdrukking, soms zeer kortstondig, ook bij baby’s
  • Ontlasting, urine, braken en ongeregeld eten als “wapen” gebruiken in de machtsstrijd tegen de ouders (vooral de moeder)
  •  Speelt verveeld, onaandachtig, ongeconcentreerd, destructief
  • Sterke vernielzucht (speelgoed, kledij,… ), slordig, “verliest” zijn/haar spullen
  •  Straffen en belonen in alle denkbare schakeringen helpt niet: het raakt het kind niet
  • Opvallend vindingrijk in pestgedrag en daar eindeloos mee doorgaan
  • Mensen (ouders, familie, school vs. ouders,…) tegen elkaar opzetten en uitspelen
  •  Onmiddellijke bevrediging van behoeften:  ik, nu, hebben en krijgen staat centraal. Eenmaal zijn/haar doel bereikt, wordt naar het gekregene niet meer           omgekeken
  • Ontbreken van wederkerigheid in relaties, emotieloos afscheid nemen, geen heimwee

Als ouders met meerdere van deze klachten naar de hulpverleners komen, hebben zij al een lange weg afgelegd. Van familie en vrienden krijgen ze weinig begrip, omdat de problemen zich vooral in de beslotenheid van het gezin afspelen. Naar buiten toe gedraagt hun kind zich voorbeeldig. De ouders worden dan ook vaak afgescheept met: « Elk kind doet dat wel eens ». Bij een kind met hechtingsstoornis vertaalt dat « wel eens » zich echter in een continu proces.

Kenmerken van een reactieve hechtingsstoornis

Bij een gezonde moeder-kind-binding ontstaat er in de eerste levensuren en –dagen een hechting, die ervoor zorgt dat het kind met vertrouwen in het leven kan staan. Het krijgt een basis mee waardoor het zal kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig, sociaal-vaardig individu, dat er niet stil bij hoeft te staan dat liefde, vriendschap en vertrouwen bij het leven horen.

Voor sommige kinderen draait de eerste levensfase echter anders uit. Zij hebben nooit het fundament in hun bestaan kunnen leggen, door het ontbreken van een liefhebbende volwassene aan wie zij al dan niet waren toevertrouwd. Bijgevolg ontwikkelen ze een soort van tweede natuur die hen voortdurend zegt dat ze zich moeten beschermen tegen het verdriet van afgewezen te worden, door de afwijzing als het ware een stapje voor te zijn. Ze stellen zich wantrouwend op tegenover volwassenen en in het bijzonder tegenover « zorgfiguren », zoals de moeder.

De kenmerken van een hechtingsstoornis verschillen enigszins bij kinderen en adolescenten. Tot het begin van de pubertijd manifesteert het zich als volgt:

Er is weinig of geen « ik ». Zelfvertrouwen en zelfbewustzijn kent het kind niet.  Daarnaast heeft het ook geen vertrouwen in volwassenen, met als gevolg een diepgewortelde angst om hechte relaties (één-één-relaties) aan te gaan. Het is geneigd tot het leggen van oppervlakkige, wisselende kontakten. Hierdoor is de problematiek voor anderen op korte termijn slecht invoelbaar. Die anderen, inclusief hulpverleners zien (aanvankelijk) niets of weinig.

De intieme emotionele banden binnen het gezin worden als bedreigend ervaren. Oppervlakkige aandacht van talloze onbekenden wordt meer op prijs gesteld, dan de persoonlijk gerichte aandacht van enkele vertrouwde personen. Het verschil tussen vriend en vreemde wordt niet echt gevoeld. Er is tussen de verzorgende ouder(s) en het kind een permanente machtsstrijd gaande die niet waarneembaar is door niet-gezinsleden. Het kind schijnt daarbij zijn emoties aan- en uit te kunnen schakelen, van het ene moment op het andere.

Het vroegste ervaren van pijn of « niet gewenst zijn » is onvoorstelbaar vernietigend. Dit ontbreken van basisvertrouwen in de allereerste levensfase uit zich vaak in vernietigingsdrang die zich richt tegen zichzelf of de naaste verwanten (ouders). Andere uitingen van die agressie kunnen zijn: wreedheid jegens dieren, vernielen, liegen en bedriegen, slapeloosheid, provocerend seksueel gedrag en weglopen. Meestal ziet men een onverzadigbare honger naar aandacht. Negatieve aandacht levert daarbij dikwijls meer resultaat op dan positieve, dus gaat het kind voluit voor de negatieve aandacht.

Het kind kent nauwelijks remmen of drempels. Het heeft weinig of geen schaamte- of schuldgevoel. De gewetensontwikkeling is niet op gang gekomen.

Het vertoont overlevingsgedrag en schijnaanpassing. Het is geniaal in het observeren, taxeren en manipuleren van de mensen om zich heen. Er is een sterke tendens de ouders en andere gezinsleden tegen elkaar uit te spelen. Evenzo met kennissen, vrienden, familie, leerkrachten, enz…

Er is nooit echt bevrediging. Het kind voelt zich steeds te kort gedaan.

Het kind heeft relatief weinig gevoel voor ruimte en tijd. Er ontstaan vaak leerproblemen ondanks een meestal normale begaafdheid.

Bij adoptiekinderen kenmerkt de beginfase zich meestal door onbegrijpelijk goed aangepast gedrag, zonder heimwee, zowel thuis als op school. Naarmate de tijd verstrijkt is het gedrag naar de verzorgende ouder(s) steeds afwijzender. Naar anderen toe blijft het begingedrag echter gehandhaafd, soms ook tegenover de ouder die niet onmiddellijk de dagelijkse zorg over het kind heeft.

Het is niet ondenkbaar dat een kind met de kalenderleeftijd van 5 jaar, de motorische vaardigheid van een 3-jarige vertoont, naast de emotionele ontwikkeling van een peuter, de cognitieve van een 2-jarige en een sociale zelfredzaamheid die men pas op 8-9 jaar verwacht. Ouders en leerkrachten krijgen dan de moeilijke opgave om uit te zoeken op welke leeftijd zij het kind moeten aanspreken en wat het op welk terrein op welk moment aankan.

 

De term « reactieve hechtingsstoornis » wordt theoretisch alleen maar gebruikt voor  jongeren onder 18 jaar. Daarna evolueert de stoornis vaak naar een Borderline-persoonlijkheid.

Bij adolescenten blijven in wezen dezelfde kenmerken van kracht als bij kinderen, maar vaak uiten deze zich ook op de volgende manieren:

Weglopen of dreigen met weglopen en/of dreigen met zelfdoding.

Gaan vaak over tot psychische en/of fysische mishandeling van hun ouders.

Voelen zich aangetrokken tot twijfelachtige milieus en tot « foute vrienden ». Ze zijn ook zeer beïnvloedbaar door die vrienden.

Spijbelen en/of vertonen storend gedrag op school, wat vaak tot een schorsing leidt.

Meesters in het liegen, bedriegen en manipuleren van hun omgeving,  vrienden en ook van de hulpverlening. Ze willen steeds de regie in handen houden (In dit verband werd in Nederland de Werkgroep Fictieve Herinneringen (klik hier) opgericht).

Diefstal en ander crimineel gedrag.

Maken zelf NOOIT fouten. Alles wat fout gaat is de schuld van anderen. De wat oudere kinderen beschouwen hun eigen gedrag niet als een gevolg van beslissingen of keuzes die ze zelf gemaakt hebben maar als gebeurtenissen die hen gewoon overkomen of door anderen zijn veroorzaakt. Deze overtuiging, gecombineerd met hun zelfbeeld als slachtoffers laat hen niet toe zichzelf te ervaren als slachtoffers van hun eigen gedrag. Dit ondersteunt hun houding van « niet verantwoordelijk ».

Houden zich praktisch nooit aan gemaakte afspraken.

Agressief gedrag (verbaal en/of fysisch).

Er charmant en goed verzorgd uitzien: charmeren naar de buitenwereld. Ze hebben zeer veel « vrienden » voor korte tijd, maar geen vaste vriendschap (allemansvriendje)

Zoeken steeds negatieve aandacht van de ouders.

Narcistische trekken

Egoïsme.

Erkennen geen gezag: hun wil is wet.

Vermijdingsgedrag thuis, bv. naar boven gaan als de ouders beneden zijn en omgekeerd.

Gemakkelijk verslaafd aan genotsmiddelen (roken, drank, drugs, sex, gokken,…) omdat die een gevoel van onmiddellijke bevrediging kunnen geven.

Seksuele ontsporingen.

Zij kunnen niet goed reageren in sociale situaties. Vooral de interactie met de ouders verloopt vaak uiterst moeizaam.

Kunnen slecht geld beheren en hebben daarom ook steeds tekort.

Hun eigengereid optreden leidt hen van de ene mislukking naar de andere. Een job houden is dan ook vaak onmogelijk: binnen de kortste keren staan ze weer op straat.

Maken vaak geen onderscheid tussen werkelijkheid en fantasie (fictieve herinneringen). Ze leven als het ware in hun eigen wereld, met eigen wetten en regels en een vaak onbegrijpbare logica.

Een kind dat niet in staat is tot het aangaan van hechte relaties, kan diepe wonden slaan in het gezin. De echte problemen blijven immers verborgen voor de buitenwereld (familie, vrienden, …) omdat het kind zich daar wel goed schijnt te gedragen.

Door het vertekend beeld dat op die manier opgehangen wordt gaat diezelfde buitenwereld de ouders vaak opzadelen met schuldgevoelens: ze zouden niet in staat zijn om een kind op te voeden, ook al hebben ze hun andere kind(eren) wel behoorlijk opgevoed en hebben ze er een goede band mee. Omdat buitenstaanders eerder geneigd zijn om het probleemkind te geloven, raken de ouders totaal geïsoleerd: niemand gelooft en begrijpt hen. Zij kunnen nergens terecht met hun frustraties over hun niet beantwoorde, ja zelfs regelrecht afgewezen liefde en zorg.

Door de onverzadigbare honger naar aandacht van het kind met een hechtingsstoornis, komen broers en zussen onvermijdelijk aandacht tekort. Bovendien wordt van hen een onredelijke waakzaamheid vereist, gezien hun broer/zus hun gevoeligheden zeer goed kent en nimmer ontziet. Voor de ouders brengt dit bijkomende spanningen mee: zij moeten niet alleen het ene kind in bescherming nemen tegen het andere, maar ook het ene kind leren omgaan met grenzen, normen en regels, terwijl die door het andere kind demonstratief met voeten worden getreden.

De grootste drama’s ontstaan in die gezinnen waar het kind de ene ouder als doelwit uitkiest terwijl het de andere rond de vinger windt. Daardoor wordt een wig gedreven tussen beidde ouders.

Met name moeders zijn door hun rol als verzorgingsfiguur, door hun aanhoudende pogingen om het kind te « bemoederen » , uitermate kwetsbaar. Zij zijn de eerste slachtoffers van de (als vernietigend ervaren) afweerreacties van een kind dat zich bedreigd voelt door de goedbedoelde toenaderingspogingen.

Het hoeft dan ook niemand te verbazen dat moeders vaak de eersten zijn die over hun belevenissen praten: om voor zichzelf en voor anderen te verduidelijken wat er met hun kind aan de hand is, maar vooral om ook vaders attent te maken op wat in hun gezin gebeurt.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het huwelijk van ouders met een hechtingsgestoord kind onder zo’n zware druk kan komen te staan, dat het uiteindelijk op de klippen loopt. De meer « afwezige » , afstandelijke ouder is immers emotioneel minder bedreigend voor het kind en merkt geruime tijd niets. Als het kind dan toch zijn masker laat vallen, wordt door die ene ouder de oorzaak voor dat gedrag vaak gezocht bij de zorgende partner. Het boek Het Lege Nest (zie literatuurlijst) is een indringende getuigenis van hoe partners kunnen bezwijken onder dergelijke moeilijkheden.